Deze website maakt gebruik van cookies voor statistiek-doeleinden. Gaat u hiermee akkoord? Ja Nee

Hoofdstuk IV Vakantie en verlof, artikel 27

Vakantierecht

  1. Aan de werknemer wordt in elk kalenderjaar vakantie met behoud van salaris als bedoeld in artikel 7:610 en 7:639 van het BW verleend.

  2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder het salaris mede verstaan het bedrag aan toelage onregelmatige dienst dat in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het aanvangstijdstip van de vakantie gemiddeld in een maand is toegekend.

  3. a.  Het vakantieverlof wordt gesteld op 180 uur per kalenderjaar, te onderscheiden in een wettelijk deel van 144 uur en een bovenwettelijk deel van 36 uur.

    b.  In afwijking van lid 3a verwerft de werknemer die arbeidsongeschikt is, naast het wettelijk deel, het bovenwettelijk deel slechts over het tijdvak van de laatste zes maanden van zijn arbeidsongeschiktheid. Hierbij worden tijdvakken samengeteld, als zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.

  4. Het vakantieverlof van de werknemer die in de loop van het kalenderjaar in dienst treedt of wordt ontslagen, wordt vastgesteld in evenredigheid met het aantal uren waarop hij krachtens het derde en vierde lid aanspraak zou hebben, indien hij het gehele jaar in dienst was.

  5. Het vakantieverlof van de werknemer die geen volledig dienstverband heeft, wordt bepaald in evenredigheid met het vakantieverlof waarop hij recht zou hebben bij een volledig dienstverband.

  6. Het bovenwettelijk vakantierecht van de op 1 januari 2005 in dienst zijnde werknemers wordt, als overgangsregeling tot het einde van hun dienstverband, verhoogd volgens onderstaande tabel:
    geboortejaar 1951 tot en met 1955: 7,2 uur
    Op het aantal uren verhoging is voor het overige het gestelde in de leden 3b, 4 en 5 onverminderd van toepassing.

  

Printen
Laatst bijgewerkt op: 18 juni 2018